Prachtig vogeltje, fantastisch geluid
22 oktober 2026
‘Ze zijn er weer’ – zo kicken we er als liefhebbers op als we in het voorjaar de kieviten horen en ze over de wieken zien gaan. ‘Ze zijn er weer’ past ook in het najaar. Als de goudplevier op doortrek is en zich mengt in grote groepen kieviten, dan hoor je ze eerder dan dat je ze ziet. Ze hebben zo’n machtig leuke hoge vriendelijke fluittoon waarmee ze onderling communiceren. Het is een heel kenmerkend geluid, leuk om er eens op te letten. (Beluister het maar eens in de vogelgids op de website van Vogelbescherming Nederland) Ze trekken in oktober en november van hun broedgebieden in Scandinavië door naar ons en verder naar het zuiden. Ik ga er graag even naar staan luisteren. Hoor ik ze, dan geniet ik ervan dat de natuur me met die mooie roep vertelt dat het herfst is. Net als herfstkleuren en vallende bladeren, die door de warmte dit najaar wat later zijn.
In de weilanden, op dijkjes, op percelen die net gemaaid zijn, op percelen waar maïs is gehakseld en andere akkers waar dus iets te halen is, daar zie je voortdurend weer grote troepen kieviten en daar zitten in het najaar nogal eens goudplevieren tussen. Als plevieren onder elkaar en met dezelfde voedselvoorkeuren zoeken ze elkaars gezelschap en veiligheid. Net als kieviten zie je aan de bouw van een goudplevier dat het een zichtjager is: grote ogen, korte stevige snavel. Ze zoeken naar spinachtigen, kevers, wormen en emelten. Met datzelfde foerageergedrag: lopen of rennen, stilstaan en een prooi verschalken, weer lopen. Ze zijn wat kleiner en gedrongen, maar het verenkleed is prachtig om te zien met kleine bruine veertjes die aan de onderkant een goudrandje hebben. Met recht goud in de naam. En dan is er ook nog een zilveren variant, de zilverplevier. Die broeden nog veel noordelijker en doen in kleinere aantallen in de winter ons land aan, met een sterkere voorkeur voor de Wadden en Zeeland.
Broeden doen ze eigenlijk sinds de dertiger jaren al niet meer in ons land. De schaars begroeide heides en hoogvenen van hun voorkeur verdwenen door ontginningen. Ze zitten graag op korte en ruige vegetatie. En hellingen vinden ze ook fijn voor een nest. Dat vinden ze allemaal nog wel in Duitsland, Scandinavië en Rusland. Na het broeden trekken ze daar weg in Zuidwestelijke richting naar West-Europa, tot in Frankrijk en verder, soms tot aan Afrika. Bij de trek doen ze ook veelvuldig de wadden aan, waar ze dan foerageren op droogvallende platen. Overigens goed om te bedenken dat de kieviten die we hier nu zien, meestal ook migranten uit het Noorden zijn. ‘Onze eigen’ kieviten trekken na de broedperiode ook een stukje naar het Zuiden. Fantastisch toch, dat we met onze graslanden in de lage landen een knooppunt blijken te zijn voor deze twee pleviersoorten en nog vele andere boerenlandvogels. Als boer mag je daar trots op zijn!
Met gevleugelde groet,

Aanmelden