Menu

Vlieggedrag roofvogels bij windmolens

6 oktober 2026      

Quizvraag: welke vogel loopt het minste risico op een aanvaring met windmolens in of bij het leefgebied: een grauwe kiekendief of een buizerd? Met mijn boerenverstand en waarneming over vogels zou ik gaan voor de buizerd, omdat het een luie (maar slimme) roofvogel is. Die zit immers grote delen van de dag om zich heen te kijken op een paaltje. De kiekendief is een actieve en behendige jager, die aanzienlijk meer vlieguren maakt. Dan is wel duidelijk wie het minste en het meeste risico loopt, toch? Deze week verschijnt er een wetenschappelijk artikel van Tonio Schaub over het vlieggedrag van zes soorten roofvogels en de risico’s op aanvaringen. Heerlijk om hem in alle vriendelijkheid te horen uitleggen hoe het allemaal net iets anders in elkaar zit. De verschillen in vlieggedrag blijken groot, een buizerd-man vliegt inderdaad maar een uur per dag en de grauwe kiekendief zeven keer meer: 7,4 uur per dag! “Ze hebben beide heel verschillende strategieën om aan hun voedsel te komen en je verwacht dat de vogels met veel vlieguren het meeste risico lopen”, zegt Schaub.

Maar er is meer aan de hand. “Met zenderonderzoek moet je kiezen voor eenvoudige parameters. Behalve de vliegtijd kunnen we ook de vlieghoogtes goed in beeld krijgen. En dan blijkt dat een buizerd in zijn vliegtijd vier keer vaker op de hoogte van een windturbine komt, zwevend op thermiek. Een grauwe kiekendief jaagt juist altijd onder de tien meter.” Schaub en collega’s in Nederland en Frankrijk keken naar het vlieggedrag van zes soorten in hun broedtijd en broedgebied: buizerd, grauwe, blauwe en bruine kiekendief, rode wouw en slangenarend. Van die soorten blijkt de rode wouw het meeste risico te lopen op een aanvaring met wieken, want deze vliegt veel èn hoog. Ze worden inderdaad veel vaker dan andere soorten gevonden onder windmolens. “Vlieguren en het aantal uren die vogels doorbrengen op windmolenhoogte zijn dus twee parameters die de verschillen in aanvaringsrisico goed verklaren”, legt Schaub uit.

Uiteraard maakt het veel uit op welke afstand van het nest windmolens staan. Een buizerd-man gebruikt gemiddeld genomen een gebied van één kilometer rond zijn nest, dus zijn windmolens verder dan twee kilometer verderop al geen risico meer. Maar een mannetje grauwe kiekendief is 90% van de tijd actief in een gebied met een straal van 5,6 kilometer. Zo levert het Nederlands-Franse onderzoek nuttige inzichten die een rol spelen bij het ontwikkelen van plannen voor windmolenparken op land.

Zoekend naar oplossingen voor zo min mogelijk slachtoffers blijkt de laagste tiphoogte van windmolenwieken het meest bepalend. “Elke meter extra vrije ruimte onder de wieken verlaagt het risico. Een tiplaagte van 50 meter heeft al 30-40% minder risico op slachtoffers dan een tiplaagte van 20 meter.” Om deze verbanden inzichtelijk te maken heeft Schaub een online-tool ontwikkeld: Wind4Birds. Voor wie meer wil weten, lees het wetenschappelijke artikel: sensitivity of raptors to wind turbine collisions

We spreken elkaar,

Aanmelden

WeideWinst is een initiatief van