Menu

Van triest naar minder triest met kieviten op mais

15 september 2026      

Stoppels met gras en hier en daar kale grond, het ruige en borstelige uiterlijk van maispercelen in het voorjaar heeft een grote aantrekkingskracht op kieviten. Vooral in streken met wat minder geschikte vochtige weilanden besluiten ze begin maart in grote getale nou net op maisland hun nest te gaan maken. Fout! Verkeerde afslag genomen! Je weet toch dat het niet goed afloopt, elke keer weer.

In de broedfase gaat het nog wel, de oudervogels vinden hun kostje en tot half april is het er vaak heerlijk rustig en veilig. Zodra het landwerk dan begint is het met die rust gedaan. Juist in de opgroeifase hebben maispercelen te weinig veiligheid en voedsel te bieden.

Dat er weinig kuikens groot worden op maisland is bekend. Maar wat gebeurt er nou precies, welke patronen en oorzaken zijn er over te vinden en wat valt daarvan te leren? Vorig jaar en dit jaar kregen twintig broedende kievitvrouwtjes een zender. En dat op twintig verschillende maispercelen in Zuid Holland en een paar in Utrecht.

Wanneer trekken ze weg met de kuikens, hoe maken ze gebruik van het perceel en wanneer en hoe weten ze naburige percelen met meer voedsel en veiligheid te vinden, zo somt Willemien Geertsema van het Louis Bolk Instituut wat vragen op. De broedresultaten waren dit voorjaar slecht: vier gezinnen kregen vliegvlugge kuikens. Vorig jaar nog slechter: toen kregen van de twintig ouderparen er maar twee hun kuikens op de vleugels.

Wat opviel is dat de ouders met kuikens vaak op het perceel blijven waar het nest lag en niet naar naastgelegen percelen vertrekken: over beide jaren heen, bleven ongeveer drie van de vier gezinnen op het broedperceel. Slechts één op de vier trok verder weg en wist beweide percelen en soms een plasdras te bereiken. Een enkeling trok naar een productief maaiperceel. Sommige gezinnen trokken heen en weer, door de sloot over te zwemmen. Ook waren er kuikens die een brede sloot van vijf meter over zwommen, waarbij er een paar verdronken. Op percelen met meer bodemleven zoals wormen, spinnen en kevers, overleefden de kuikens langer. De slootkanten en greppeltjes werden veel gebruikt voor voedsel en beschutting. Uit weeggegevens komt naar voren dat veel kuikens te licht bleven: ze vinden te weinig voedsel en zijn dus ondervoed.

Geertsema wil nog geen definitieve conclusies trekken over de vraag wat er mogelijk is om maispercelen ‘minder ongunstig’ te maken voor kieviten, omdat er veel data zijn die nog geanalyseerd moeten worden. Twee zaken vallen op bij kuikens die langer overleefden, zegt ze. “Meer voedsel, maar vooral het tijdstip van grondbewerken heeft invloed op overleving. Het grondbewerken trekt predatoren, zoals ooievaars.  Begin mei zijn de kuikens een à twee weken oud. Krijgen ze dan nog twee weken de tijd, dan zijn de kansen om vliegvlug te worden groter.” Het zou helpen als we wisten waarom de ene kievitouder wel verhuist naar betere plekken. Geertsema: “Misschien is dat puur individueel, maar misschien zijn er ook triggers te vinden, waarmee dat gedrag te sturen valt.”

Met gevleugelde groet,

Aanmelden

WeideWinst is een initiatief van