Kieviten op mais kansloos zonder hulp
3 maart 2026
De echte kenners hebben vast alweer buitelende en baltsende kieviten in het vizier. Ik heb een zwak voor die luchtacrobaten boven de weilanden met die mooie glimmende veertjes en dat voorname kuifje, stoer en mooi tegelijk. In oktober begon ik er al over toen de maisoogst onder het kleed ging. Ze kiezen steeds vaker voor de borstelige en kale maispercelen om een eerste nestje te maken en daar zitten ze in de val. Want er komen wel ongeveer net zoveel nesten uit als op grasland, maar de overlevingskansen voor de kuikens zijn bijzonder slecht.
Hoe slecht, dat liet Willemien Geertsema van het Louis Bolk Instituut zien in het ‘kennisuur’ van Boerennatuur (4 februari), overigens een aanrader om deze en eerdere uitzendingen op te zoeken (Boerennatuur.nl) , je kunt ze terugkijken. Zonder extra maatregelen varieert de overleving van kuikens op maispercelen tussen 7 en 12%. In projecten met braakstroken en uitgesteld zaaien (15 mei en 1 juni) gaat het omhoog naar 23% en 28%. Voor instandhouding van de soort is gemiddeld één vliegvlug jong per kievitpaar nodig en daarvoor is een kuikenoverleving van 36% nodig.
Daar komen ze op grasland al lang niet meer aan, op mais nog veel minder. Er is domweg niks te vreten op de zwarte, kale percelen waar die moeders graag nestelen. Te weinig kevertjes, spinnen, emelten en (bereikbare) wormen. En als de nesten op uitkomen staan, is het tijd voor bemesten en grondbewerking. Net na uitkomst gaan de gezinnen aan de wandel naar de beste plek die ze kunnen vinden. Interessant is dat er voor het onderzoek van Geertsema en collega’s twintig kieviten werden gezenderd. Ze blijken zich na uitkomst hooguit 100 a 800 meter te verplaatsen. Bij mazzel komen ze dan op een natte plek met iets meer insecten, een greppel met een rand gras eromheen, een begroeide slootkant, een braakstrook. Maar de afstand is te kort om de echt betere plekken te bereiken met (veel) meer voedsel dan op het maisperceel. Denk aan plasdrassen, kruidenrijke graslanden en nog liever beweide graslanden in de gebieden met weidevogelmozaïeken.
Het onderzoek loopt nog twee jaar en kijkt naar opties om het voedselaanbod te vergroten. Geertsema geeft al een aantal tips: vaste mest uitrijden vóór 15 maart is positief voor het bodemleven en haalt wormen omhoog. Groene greppels en slootkanten niet wegwerken, maar laten staan en natuurlijk later je grond bewerken en laat zaaien. Ik voeg er nog een paar aan toe die ik vorig jaar al noemde: ijlig grasland naast of rondom die mais, het liefst met greppel plasdrassen. Nog beter: beweiding op die graslanden naast maispercelen. Maak die plekken bereikbaar met oversteken en/of een hoogwatersloot. Zwaardere maatregelen die echt effect hebben en waar je ANLb-vergoeding voor krijgt, zijn een braakstrook van minstens 6 meter en uitgesteld zaaien (15 mei of 1 juni) met een ultravroeg ras.
Er is nog tijd om met je agrarisch collectief te overleggen en vrijwilligers te zoeken. Je ziet ze straks weer vliegen en nestelen op je mais en je weet: zonder hulp zijn ze kansloos. Pleeg een paar telefoontjes en je bent op weg om ze kansrijk(er) te maken!
We spreken elkaar,

Aanmelden